• Hoe gaat het eigenlijk met ons? – deel 3

    Vandaag kijken we naar het landelijke beeld. Wijkt dat nu af van dat in de Zaanstreek? Ehhh, nou nee, niet echt. Het aantal teams neemt ook landelijk gestaag af. Een paar voorbeelden:

    -    In de sector ‘Gemengd’ waren er in 2016-2017 in totaal 5.438 teams en voor het komende seizoen zijn dat er 4.713 en dat is een verschil van 725

    -    Bij het Dameskorfbal doet het zich nog in iets sterkere mate voor; dat daalt van 740 naar 622 teams


    Er is eigenlijk maar één groep waar de aantallen ongeveer stabiel zijn en dat zijn de F-teams: in 2016 begon de competitie met 401 F-teams en in 2022 worden dat er 404. Voor alle andere leeftijdsgroepen is er een afname en dat maakt het indelen van competities ook gestaag lastiger voor de competitieleider: afstanden kunnen groter worden en je kunt niet meer met ieders wensen rekening houden.

    Het ‘uitdunnen’ leidt ook al enige tijd tot een nieuw fenomeen, de combinatieteams. Een club heeft dan te weinig spelers voor een volledig team en gaat een combinatie aan met een andere club of soms zelfs met drie of vier clubs in de kleinere dorpen. Zo speelt komend seizoen in Friesland DIO/Donkerbroek/ODIS/VZK D1, nogal een mond vol, maar in kleine dorpen wordt men wel gedwongen oplossingen te kiezen. Met niets doen gaat het alleen maar harder achteruit.

    Zijn er dan geen goede voorbeelden? Zeker wel, er zijn clubs, die tegen de stroom oproeien. De op het eerste gezicht meest succesvolle club is Excelsior uit Delft, maar dat is tegelijk ook weer schijn. De club is weliswaar met liefst 10 teams uitgebreid, maar dat komt voor een flink deel, doordat stadgenoot DKC in 2016 besloot, dat het tijd werd dat die club zich aansloot bij een grotere versie en uiteindelijk koos voor Excelsior. Er was geen sprake van een fusie in strikte zin: DKC werd gewoon opgeheven en de leden werd geadviseerd zich bij Excelsior aan te sluiten en velen deden dat ook.

    Drie andere voorbeelden van clubs, die echt wèl tegen de stroom in groeiden zijn ODIK uit Barneveld, Korbis uit Waddinxveen (bij Gouda) en KVS in Scheveningen en dat gebeurt niet met stilzitten. Maar al die clubs realiseerden hun groei vooral bij de E- en F-teams. Het is al heel veel jaren zo, dat kinderen na hun 10e levensjaar nog wel eens van sport wisselen, maar meestal zijn de keuzes al gemaakt en boek je dus alleen maar winst in de groep 6 tot 10 jaar. En als je daar te weinig aan doet (zoals dat bij ons ook in fases het geval was) of als ze er gewoon niet zijn, zoals in de kleine dorpen, dan wordt het allemaal heel lastig en dat helemaal nu er toch ook al een tijd sprake is van vergrijzing, teruglopend kindertal en meer keuze-mogelijkheden.

    Bij deze tekst zie je een staat van de 28 grootste clubs in ons land en de bijbehorende aantallen teams, verdeeld per leeftijdsgroep. A t/m F zal duidelijk zijn. G is voor de G-teams, die niet aan leeftijd gebonden zijn en MW staat voor Midweek. Die midweek-competitie telt zo’n 160 teams, waarvan er geen enkele van boven het Noordzeekanaal komt. Amsterdam telt er 2, Amstelveen ook en de overigen komen uit Haarlem, Nieuw-Vennep en Mijdrecht. Ideetje?


    Morgen, of overmorgen, maken we in het laatste deel nog de balans op: wat gaan we er aan doen om te zorgen, dat het wèl beter gaat met KZ/Thermo4U? Er zijn namelijk clubs, die in de jonge leeftijden heel goed scoren. Kijk naar Nieuwerkerk met 10 E-teams en 5 F-teams of Wageningen met 9 en 5 of TOP (S) met 8 en 4 of PKC met 8 en 6. Het kan allemaal wel, maar met ‘ze weten ons vanzelf wel te vinden…’ is het die clubs echt niet gelukt.